|
Inhakingen en aasgedrag Als de karpers niet aan de kant azen en u dus niet kunt zien hoe ze het voedsel tot zich nemen, moet je in zekere mate gissen. Na verloop van tijd kunt je door jouw ervaring op dat water ongeveer voorspellen hoe de karpers (al dan niet) azen. Je kunt echter veel leren van de plaats waar je een karper hebt gehaakt. Het kan een aanwijzing zijn voor de manier waarop de karpers op je voer aan het azen waren. Maar je moet eerst karpers vangen voor je .
Inhakingen in de onderlip. Deze plaats van inhaking duidt op een heel wantrouwige karper. Waarschijnlijk heeft hij ieder voedseldeeltje afzonderlijk in de bek genomen en dat zorgvuldig onderzocht. Op het moment echter dat de onderlijn zich strekte, heeft de haak zich vastgezet in de onderlip.
Inhakingen diep in de bek. Deze karper was met veel vertrouwen aan het azen. Het aas werd onmiddelijk tot diep in de bek gezogen en tijdens het strekken van de onderlijn werd de karper dan ook gehaakt.
Inhakingen in de zijkant van de bek. De karper nam het aas in de bek en zwom, op zoek naar meer voedsel, weg. Tijdens deze handeling strekte de onderlijn zich en vond daardoor de inhaking in de zijkant van de bek plaats. Dit is weer een mogelijk signaal van een vis die met veel vertrouwen aan het azen was.
Inhakingen in de bovenlip of de uiterste rand van de onderlip. De karper heeft - waarschijnlijk omdat hij iets verdachts heeft opgemerkt - geprobeerd om het aas uit te spuwen. Tijdens dat proces heeft de haak zich goed vastgezet in het vlees van de bek. Het is een mogelijk signaal van wantrouwigheid.
Inhakingen buiten de bek. De karper heeft het aas uitgespuwd en tijdens deze uitspuwing heeft de haak zich vastgezet in de buitenkant van de bek. Dit wijst op heel weinig vertrouwen in het aas en de aaspresentatie.
Losschieters. We spreken over losschieters als de haak vrijkomt tijdens de dril of zelfs al tijdens de aanbeet. Zou dit misschien wijzen op een karper die wel vertrouwen had in het aas maar toch een manier heeft gevonden om de haak kwijt te raken door hem uit te spuwen? Opent de bocht van de haak of breekt uw onderlijn, dan kunt je van een materiaalfout spreken. Is dit niet het geval dan moet je het eerder zoeken bij het aasgedrag van de karpers.
Factoren die het aasgedrag beginvloeden: Helaas is het onmogelijk om precies te zeggen hoe karpers op verschillende wateren azen. Hun aasgedrag wordt door te veel factoren bepaald zoals:
1: De persoonlijke kenmerken van de vis zelf, zoals de vorm van de bek, het gewicht enz..
2: De hengeldruk door de jaren heen. Als de karper een aantal keren aan een bepaalde aaspresentatues zijn gevangen, dan veranderen ze hun aasgedrag om niet meer gehaakt te worden.
3: De hengeldruk op het moment zelf. Als het water onder hoge hengeldruk staat en de karpers overal lijnen tegenkomen, gaan ze eerder tot een voorzichtige manier van azen over.
4: Het vertrouwen van de karpers in het aas. Als de karper het aas attrectief vind en door het voeren geleerd heeft dat het aas niet gevaarlijk is, dan gaat hij er met veel vertrouwen op azen.
5: Het jaargetijde. Als de karpers sterk azen tijdens de zomer, dan kunnen ze het aas met veel vertrouwen tot zich nemen. In de kouden maanden, als hun bioritme trager gaat functioneren, is de voedselopname voorzichtiger.
Luchtdruk: De luchtdruk heeft een grote invloed op het aasgedrag van de karpers. Slechts weinig karpervissers houden rekening met deze veranderingen.
Hoge luchtdruk.. Ook bekend als anti-cyclonen. De kenmerken zijn een heldere hemel en weinig of geen wind. In de zomer kan dit snikhete dagen betekenen. In de winter daarentegen gaan koude dagen en vriesnachten met deze luchtdruk gepaard. Voor de gewone standaard bodemvisserij zijn dit geen ideale omstandigheden.
Lage luchtdruk.. Ook bekend als depressies. Kenmerkend zijn hier een betrokken hemel, zachte zuidwestenwind en veel regen. Deze omstandigheden zetten de karpers eerder aan tot azen. Een toename van het zuurstofgehalte in het water, waterturbulentie en minder licht zijn hier niet vreemd aan.Natuurlijk ligt tussen deze twee uitersten een oneindig aantal variaties. Maar ik denk dat het juist is om te zeggen dat in de meer productieve maanden, zoals van april tot oktober, perioden van lage of dalende luchtdruk betere omstandigheden inhouden dan perioden van hoge of stijgende luchtdruk. |